Everest Tax

De staat en veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding

15/03/2016

Het Grondwettelijk Hof bevestigt de rechtspraak dat wanneer de fiscus in het ongelijk gesteld wordt er geen beletsel bestaat om de Staat te veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding aan de belastingplichtige.

Wat ging vooraf?

2008

In 2008 werd de regeling inzake rechtsplegingsvergoeding ingevoerd in België. Sindsdien wordt in het kader van een gerechtelijke procedure aan de in het gelijk gestelde partij een forfaitaire tegemoetkoming toegekend. Dit ter compensatie van de kosten en erelonen voor het onder de arm nemen van een advocaat.

2010

In 2010 werd door de wetgever, naar aanleiding van 2 arresten van het Grondwettelijk Hof, een uitzondering ingevoerd. Waardoor de Staat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Dit wanneer het openbaar ministerie bij wijze van een rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten, in het algemeen belang. Dit zette de fiscale administratie ertoe om een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest 21 mei 2015

Het Grondwettelijk Hof oordeelde reeds met een arrest van 21 mei 2015 dat de oude rechtspraak herzien dient te worden.
Het Hof stelt immers vast dat het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding tevens van toepassing verklaard is in procedures voor de Raad van Staten. En hierin ook de uitdrukkelijke wil van de wetgever om het opleggen van een rechtsplegingsvergoeding niet uit te sluiten.
Het Hof komt al dusdanig tot het besluit dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat de belastingadministratie op het gebied van de rechtsplegingsvergoeding op dezelfde wijze moet worden behandeld als het openbaar ministerie dat optreedt in strafzaken.
Met andere woorden dient de belastingadministratie wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld. Ook tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding veroordeeld kunnen worden.
De rechtsplegingsvergoeding blijft aldus opeisbaar in fiscale geschillen telkens als de staat in het ongelijk wordt gesteld.

Arrest 3 maart 2016

Daar waar het Grondwettelijk Hof zich in het arrest van 21 mei 2015 nog niet kon uitspreken over de wet van 25 april 2014 volgens dewelke geen rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat meer gelegd kan worden, wanneer een publiekrechtelijk rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding, neemt het Grondwettelijk Hof thans wel uitdrukkelijk standpunt in.
Het Hof oordeelt in niet mis te verstane bewoordingen dat de wetswijziging waarbij de fiscus niet meer aangesproken kan worden in betaling van de rechtplegingsvergoeding een verschil in behandeling veroorzaakt. Niettegenstaande de bijzondere positie van de overheid.

Auteurs: Méhdi Zagheden en Alexander Delafonteyne

Share