Everest Tax

Rechtsplegingsvergoeding ten laste van de fiscus?

03/06/2015

Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest van 21 mei 2015 dat wanneer de fiscus in het ongelijk gesteld wordt er geen beletsel bestaat om de Staat te veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding aan de belastingplichtige.

Wat ging vooraf?

In 2008 werd de regeling inzake rechtsplegingsvergoeding ingevoerd in België. Sindsdien wordt in het kader van een gerechtelijke procedure aan de in het gelijk gestelde partij een forfaitaire tegemoetkoming toegekend, dit ter compensatie van de kosten en erelonen voor het onder de arm nemen van een advocaat.

In 2010 werd door de wetgever, naar aanleiding van 2 arresten van het Grondwettelijk Hof, een uitzondering ingevoerd waardoor de Staat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is, wanneer het openbaar ministerie bij wijze van een rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten, in het algemeen belang.

Dit zette de fiscale administratie ertoe om een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof om na te gaan in welke mate er geen sprake iss van een schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien geen dergelijke uitzondering bestond ten aanzien van de fiscale administratie.

Het Grondwettelijk Hof stelt thans uitdrukkelijk dat de oude rechtspraak volgens dewelke overheden die het algemeen belang vertegenwoordigen niet tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding veroordeeld kunnen worden, herzien dient te worden.

Het Hof stelt immers vast dat het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding tevens van toepassing verklaard is in procedures voor de Raad van Staten en ziet hierin de uitdrukkelijke de wil van de wetgever om het opleggen van een rechtsplegingsvergoeding niet uit te sluiten wanneer, in burgerlijke zaken.

Het Hof komt al dusdanig tot het besluit dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat de belastingadministratie op het gebied van de rechtsplegingsvergoeding op dezelfde wijze moet worden behandeld als het openbaar ministerie dat optreedt in strafzaken.

Met andere woorden dient de belastingadministratie wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld, ook tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding veroordeeld kunnen worden.

De rechtsplegingsvergoeding blijft aldus opeisbaar in fiscale geschillen telkens als de staat in het ongelijk wordt gesteld.

Wat met de wet van 25 april 2015?

De wetgever voerde met de wet van 25 april 2014 een wijziging door waardoor geen rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat meer gelegd kan worden, wanneer een publiekrechtelijk rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.

Ofschoon het uitvoeringsbesluit tot op heden nog niet in werking getreden is, heeft dit een storm van kritiek met zich meegebracht. Niet in het minst aangezien door deze lichte wetsaanpassing de fiscus voortaan niet meer zou kunnen veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding, wanneer deze in het ongelijk gesteld wordt.

Ofschoon er nog een aantal procedures lopen tegen voornoemde wet laat het Grondwettelijk Hof reeds in zijn kaarten kijken.

In zijn arrest geeft het Hof immers in niet mis te verstane bewoordingen te kennen dat deze wetswijziging waarbij de fiscus niet meer aangesproken kan worden in betaling van de rechtplegingsvergoeding moeilijk te verdedigen is.

Deze uitspraak vormt een hart onder de riem voor die belastingplichtigen die het aandurven hun fiscaal geschil voor te leggen aan de Rechtbank en dient derhalve toegejuicht te worden.

Lees hier meer van onze blogitems.

Share