Everest Tax

Nieuwe kilometerheffing: ruimer toepassingsgebied dan Eurovignet

29/02/2016

Vanaf 1 april 2016 treedt de kilometerheffing in werking waardoor binnen- en buitenlands vrachtvervoer op de belangrijkste verkeersaders in België een heffing verschuldigd zal zijn, waarvan het tarief afhankelijk is van het gewicht en de emissieklasse.

De heffing komt in de plaats van het eurovignet dat in 1994 werd ingevoerd op basis van een verdrag met een aantal EU-landen. De nieuwe heffing kent evenwel een ruimer toepassingsgebied dan het eurovignet.

Wat vooraf ging

De Belgische kilometerheffing situeert zich in het kader van een aantal Europese initiatieven op het vlak van elektronische tolheffing, inzonderheid de tolrichtlijn van 17 juni 1999 (Richtlijn 1999/62/EG, Pb.L. 20 juli 1999, afl. 187, 42-50) en de richtlijn van 29 april 2004 “betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap” (Richtlijn 2004/52/EG, Pb.L. 30 april 2004, afl. 166, 124-143).

De Europese Unie streeft naar een Europees Tolheffingsgebied (zgn. EETS-gebied) waarbij weggebruikers hun bijdrageplicht in alle lidstaten kunnen voldoen met behulp van één enkele elektronische registratievoorziening, in het kader van één enkele dienstverleningsovereenkomst.

In verschillende naburige landen werden ondertussen diverse stappen gezet om afstandsgebonden heffingen in te voeren, waarbij gebruikt gemaakt wordt van een elektronische registratievoorziening.

In navolging van de Europese voorstellen bereikten de drie Gewesten reeds in 2011 een politiek akkoord omtrent de hervorming van de verkeersfiscaliteit in België. De krachtlijnen ervan vormden een gecoördineerde invoering van een kilometerheffing voor zware vrachtwagens, een wegenvignet voor personenvoertuigen, en een hervorming van de verkeersbelasting op basis van milieuparameters. Hierbij werd telkens uitgegaan van het principe “de gebruiker/vervuiler betaalt”.

Daar waar het oorspronkelijk de bedoeling was de heffing voor zwaar vrachtvervoer én personenwagens in voege te laten treden vanaf 2013, bleek deze timing niet haalbaar. Bovendien vereiste het invoeren van een alternatieve heffing voor personenwagens een te grote financiële en logistieke inspanning. Het gevolg hiervan is dat de drie Gewesten enkel nog ingezet hebben op een elektronische kilometerheffing voor zwaar vrachtvervoer.

Op 31 januari 2014 werd een samenwerkingsakkoord gesloten om deze kilometerheffing in de drie Gewesten simultaan in te voeren en daarvoor een gecoördineerd juridisch kaderwerk te creëren. De interregionale entiteit ‘Viapass’ werd daartoe opgericht als overkoepelend orgaan, belast met de uitwerking en implementatie van het kilometerheffingssysteem.

Met het samenwerkingsakkoord van 24 april 2015 werd vervolgens het concept van ‘tariefzone’ ingevoerd dat de Gewesten toelaat het tarief van de kilometerheffing te differentiëren in functie van de aard van de weg én het tijdstip van gebruik. De bedoeling is immers dat de Gewesten, als autonome tolheffende instanties, maximale vrijheid behouden voor het bepalen en differentiëren van hun tarieven in functie van hun eigen beleidsaccenten.

In navolging van het voormelde samenwerkingsakkoord voerden de Gewesten, elk voor hun eigen grondgebied, ten slotte formeel de kilometerheffing in via :

 de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 29 juli 2015 “tot invoering van een kilometerheffing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor zware voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, ter vervanging van het Eurovignet” (BS 12 augustus 2015) en uitvoeringsbesluit van 24 september 2015 (BS 7 oktober 2015, tweede editie);
 het decreet van het Vlaams Gewest van 3 juli 2015 “tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband” (BS 10 augustus 2015) en uitvoeringsbesluit van 17 juli 2015 (BS 10 augustus 2015);
 het decreet van het Waals Gewest van 16 juli 2015 “tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens” (BS 28 juli 2015) en uitvoeringsbesluit van 17 december 2015 (BS 19 januari 2016).

Draagwijdte van de kilometerheffing

De kilometerheffing betreft een afstandsgebonden heffing op het gebruik van de wegen die de Gewesten bepaald hebben. Het Belgisch grondgebied wordt daartoe opgedeeld in het tolgebied van het Vlaams Gewest, van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van het Waals Gewest (dit laatste Gewest heeft zijn ‘tolgebied’ in concessie gegeven aan de privé-partner SOFICO; zie verder).

Volgens de voormelde Europese richtlijn 1999/62/EG omvat het begrip tolgeld, een infrastructuurheffing, een externe kostenheffing (heffing met het oog op het ‘terugverdienen van de in een lidstaat opgetreden kosten’ i.v.m. luchtverontreiniging en geluidshinder) of beide (art. 2, b), en b ter) zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/76/EU van 27 september 2011).

In het Vlaams en Brussels Gewest heeft de kilometerheffing de aard van een “belasting” die bestaat uit de twee voormelde componenten, m.n. een infrastructuurheffing en externe kostenheffing. Merk op dat de beide heffingen geen afzonderlijke belasting vormen; zij zijn geïntegreerd in één en dezelfde kilometerheffing met de aard van ‘belasting’. Anders gezegd, de externe kosten en infrastructuurkosten vormen de parameters van één en dezelfde belasting.

In het Waals Gewest daarentegen heeft de kilometerheffing de aard van een “retributie”. De heffing is daar verschuldigd door de concessiehouder (de voormelde entiteit ‘SOFICO’), die deze verhaalt op de gebruiker (met toepassing van BTW). Met andere woorden, in Wallonië bestaat de heffing enkel uit een infrastructuurheffing, aangezien een externe kostenheffing geen vergoeding uitmaakt voor de prestaties die de concessiehouder ten voordele van de gebruikers levert.

Op basis van de voormelde Europese richtlijn moet de opbrengst van de kilometerheffing aangewend worden ten voordele van de vervoerssector en tot optimalisering van het gehele vervoersysteem.

Belastbare voertuigen

Motorvoertuigen en samengestelde voertuigen al dan niet uitsluitend bedoeld of gebruikt voor het vervoer over de weg van goederen, waarvan de maximaal toegelaten massa (MTM) meer dan 3,5 ton bedraagt, zijn onderworpen aan de kilometerheffing (zie ook art. 2, d), richtlijn 1999/62/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/76/EU van 27 september 2011). Daardoor heeft de kilometerheffing op twee punten een ruimer toepassingsgebied dan het eurovignet.

 Het eurovignet is pas verschuldigd voor voertuigen met een MTM van minstens 12 ton. De kilometerheffing is – zoals aanbevolen door Europa – al van toepassing zodra de MMT 3,5 ton overschrijdt.

 In het kader van het eurovignet geldt als voorwaarde dat het voertuig “uitsluitend” moet worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg. Onder de kilometerheffing is het niet meer vereist dat de voertuigen “uitsluitend” bedoeld of gebruikt worden voor goederenvervoer. Voertuigen die niet uitsluitend het goederenvervoer als functie hebben, kunnen dus ook onder het toepassingsgebied van de kilometerheffing vallen.

Een en ander betekent dat werktuigvoertuigen (zoals mobiele kranen, hoogtewerkers, graafmachines, bulldozers, …) niet onderworpen zijn aan de kilometerheffing, voor zover ze geen goederen vervoeren. Dat hebben inmiddels zowel de Vlaamse Belastingdienst (in zijn omzendbrief FB/VLABEL/2016/1 van 29 januari 2016, BS 4 februari 2016) als het Waals Gewest (via een FAQ van de concessiehouder SOFICO) bevestigd.

Uit de voormelde omzendbrief en FAQ blijkt voorts dat, onder meer, ook de volgende voertuigen worden geacht buiten het toepassingsgebied van de kilometerheffing te vallen : oldtimers, voertuigen met proefritplaten, en opleidingsvoertuigen, althans voor zover voldaan is aan een aantal voorwaarden.

Uit de voormelde omzendbrief van de Vlaamse Belastingdienst blijkt overigens ook dat een “bus, zelfs als deze een aanhangwagen met bijvoorbeeld bagage trekt, niet onderhevig [is] aan de kilometerheffing, aangezien het motorvoertuig is bestemd voor personenvervoer”.

Belastbare wegen

De “Vlaamse heffing” en “Waalse heffing” zijn verschuldigd op autosnelwegen, alsook op wegringen en overige gewestwegen gelegen respectievelijk in het Vlaams Gewest of het Waals Gewest.

Belangrijke vaststelling is dat niet alle wegen onder de heffing vallen. Zo zijn bijvoorbeeld in het Vlaams Gewest de havengebieden in Antwerpen, Gent, Oostende en Zeebrugge gevrijwaard, alsook de geconcedeerde wegen (bv. Liefkenshoektunnel). In het Waals Gewest zijn enkel de wegen die uitgebaat worden door de concessiehouder SOFICO onderworpen aan de heffing.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt het Brussels autowegennet (Ring, autosnelwegen, gewestwegen), maar evengoed de binnenstad, onder de toepassing van de kilometerheffing.

Een overzicht van alle ‘tolwegen’ voor de drie Gewesten is beschikbaar op www.viapass.be/nl/download.

Vrijstellingen

Van de kilometerheffing zijn vrijgesteld :

(1) vrachtwagens die al in een ander Gewest vrijgesteld zijn van de heffing. Voor een vrachtwagen die bv. vrijgesteld is in het Waals Gewest, is dus geen nieuwe vrijstellingsaanvraag voor Vlaamse wegen nodig;

(2) vrachtwagens van defensie, civiele bescherming, brandweer en politie, mits ze als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;

(3) vrachtwagens die speciaal en uitsluitend dienen voor medische doeleinden (bv. mobiele operatiezalen). Ook hier moeten ze als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;

(4) landbouw-, tuinbouw- en bosbouwvoertuigen, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.

Aanvraag vrijstelling

In de drie laatste gevallen moet de vrijstelling worden aangevraagd bij het Gewest waar het voertuig is ingeschreven. Daartoe moet een formulier ingevuld worden waarbij een foto met vooraanzicht en een foto met zijaanzicht van het voertuig moet worden gevoegd. In het Brussels en Vlaams Gewest heeft de vrijstelling pas uitwerking “vanaf het belastbare tijdperk dat volgt op de toekenning van de vrijstelling” (via het programmadecreet van 18 december 2015 heeft het Vlaams Gewest bepaald dat de voormelde vrijstellingen “kunnen worden aangevraagd vanaf 1 januari 2016”). In het Waals Gewest heeft de vrijstelling uitwerking “vanaf de werkdag die volgt op de datum van het verzoek” tot vrijstelling.

Een Gewest kan, in overleg met de andere Gewesten, bijkomende vrijstellingen toestaan. Indien een Gewest een categorie vrijstelt, zijn de andere Gewesten verplicht deze tevens vrij te stellen op hun grondgebied.

Merk op dat, in vergelijking met het eurovignet, de categorie van vrijstellingen in het kader van de kilometerheffing kleiner is, waardoor méér zware vrachtwagens onderworpen zullen worden aan deze heffing.

Heffingsplichtige

De heffingsplichtige is “de houder” van het voertuig, nl. de persoon op wiens naam het kenteken van het voertuig in België of in het buitenland is ingeschreven. Deze persoon is verplicht, vóór het gebruik van een geviseerde weg, een elektronische registratievoorziening (zgn. on board-unit “OBU”) in zijn voertuig te installeren (een dergelijk toestel kan online worden besteld via www.satellic.be of kan worden afgehaald bij één van de ‘servicepunten’ vermeld op deze website).

De OBU registreert via satellietpositionering (“Global Navigation Satellite System”) welke afstand de vrachtwagen aflegt op welke weg en berekent de heffing die daarmee gepaard gaat. De houder moet daartoe een dienstverleningsovereenkomst afsluiten met een dienstverlener (vooralsnog is dat enkel de vennootschap ‘Satellic’). Aan deze dienstverlener moeten de voertuigdocumenten bezorgd worden, zodat de MTM en de EURO-emissieklasse vastgesteld kunnen worden, die essentieel zijn om de kilometerheffing te kunnen berekenen en factureren.

tolheffende instantie

De dienstverlener factureert de heffing aan de houder, staat in voor de inning ervan en stort de geïnde heffing door naar de “tolheffende instantie”, zijnde het desbetreffende Gewest of SOFICO wat het Waals Gewest betreft. Om de inning van de heffing te verzekeren, kan de houder verplicht worden een gegarandeerd betaalmiddel ter beschikking te stellen. De dienstverlener is dagelijks verplicht door middel van een elektronisch databestand aangifte te doen bij de ‘tolheffende instantie’, zelfs wanneer voor een voertuig geen kilometers werden geregistreerd.

Bij gebrekkige doorstorting kan de ‘tolheffende instantie’ de heffing alleen invorderen bij de dienstverlener en niet bij de houder van het voertuig. Heeft de houder evenwel geen overeenkomst met een dienstverlener afgesloten of is die geschorst, bv. wegens niet-betaling van de heffing, dan kan het Gewest de houder of de bestuurder van het voertuig wel een administratieve geldboete of een strafsanctie opleggen.

Huur of leasing

Als een voertuig “bestendig of gewoonlijk” ter beschikking wordt gesteld van een derde op basis van “verhuur, leasing of een andere overeenkomst”, dan kan de houder deze derde als belastingplichtige aanwijzen, voor zover een schriftelijke verklaring – ondertekend door de houder van het voertuig en de derde – voorgelegd werd aan de dienstverlener. De houder blijft evenwel “solidair aansprakelijk voor de goede uitvoering van de verplichtingen van de vermelde derde”. Noteer dat de respectievelijke gewestregeringen de bevoegdheid hebben beperkingen of voorwaarden te koppelen aan deze mogelijkheid (om de ‘derde’ aan te wijzen als belastingplichtige).

Tarief en grondslag

De heffing wordt berekend op basis van het aantal afgelegde en geregistreerde kilometers, rekening houdend met het gewicht en de milieu-uitstoot van de vrachtwagen (zgn. EURO-norm). De zwaarste en meest vervuilende vrachtwagens betalen het meest (via de website http://tollcalculator.satellic.be kan, per traject, een simulatie van het bedrag van de heffing worden gemaakt).

Het samenwerkingsakkoord van 24 april 2015 laat toe dat de Gewesten gebruik maken van tariefzones waar het tarief afhankelijk is van de tijd (bv. dag/nacht of congestiegevoelige tijdstippen) of de aard van de weg.

Voorlopig heeft enkel het Brussels Gewest gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Voor de wegen in de binnenstad (onafhankelijk of dit een gemeente- dan wel een gewestweg betreft) geldt een hogere heffing om vervuilende en zware vrachtwagens te ontmoedigen Brussel binnen te rijden.

Hoewel de Gewesten als autonome tolheffende instanties maximale vrijheid hebben voor het bepalen en differentiëren van hun tarieven in functie van hun eigen beleidsaccenten, kan vastgesteld worden dat de tarieven in het Vlaams, Waals en Brussels Gewest (met uitzondering van de binnenstad) voorlopig gelijklopend zijn. De achterliggende idee is voornamelijk de transparantie te verhogen ten aanzien van bestuurders.

Het tarief is grotendeels geïnspireerd op het Duitse tolsysteem (het zgn. LKW-Maut-systeem), met enkele correcties. De heffing varieert van 7,4 cent tot 20 cent/km.

Voor lichte en zware vrachtwagens

 De minst vervuilende lichte vrachtwagens (MTM tussen de 3,5 en 12 ton en Euronorm 6) betalen het minimumtarief. Voor de meest vervuilende lichte vrachtwagens verdubbelt de heffing bijna tot 14,6 cent. Aangezien de categorie van de lichte vrachtwagens buiten het toepassingsgebied van het eurovignet viel, wordt als compensatie bepaald dat deze niet meer onder de verkeersbelasting valt (voor het Vlaams Gewest staat deze maatregel te lezen in het voormelde decreet zelf dat de kilometerheffing invoert (wijziging art. 2.2.4.0.1, § 6 VCF); het Waals Gewest heeft deze maatregel doorgevoerd bij decreet van 17 december 2015 (zie Fisc. nr. 1461, 8); voor het Brussels Gewest moet de maatregel nog officieel worden bevestigd).

 Voor de zware vrachtwagens (MTM groter dan 32 ton), bedraagt de heffing 12,8 cent wat de minst vervuilende betreft en 20 cent wat de zwaarst vervuilende voertuigen betreft.

Handhaving

Alle inbreuken op de kilometerheffing die begaan worden door de houder of bestuurder van het voertuig kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete, of een strafsanctie. De Gewesten hebben daartoe een aantal onderzoeksbevoegdheden toegekend aan hun ambtenaren.

Het samenwerkingsakkoord tussen de Gewesten voorziet eveneens in een vorm van administratieve bijstand, wanneer een Gewest bij een controle vaststelt dat er niet-betaalde administratieve geldboetes bestaan die uitgevaardigd werden door een ander Gewest. In een dergelijk geval ‘kan’ (geen verplichting) de controlerende ambtenaar overgaan tot “inning” van de geldboete van het desbetreffende Gewest.

Daar waar het Vlaams en Brussels Gewest voorzien hebben in een doorstortingsplicht – in geval van administratieve bijstand – geldt in het Waals Gewest als dusdanig geen dergelijke verplichting.

Hierbij kan de bedenking gemaakt worden – zoals de Raad van State terecht aanbracht – of de doorstortingsplicht in het kader van de administratieve bijstand, al dan niet in strijd is met het autonomiebeginsel en het territorialiteitsbeginsel.

 

Auteurs: Méhdi Zagheden en Alexander Delafonteyne

http://www.fiscoloog.be/fiscoloog/text.aspx?l=NL&id=20023

Share
Tags: