Everest Tax

Het Hof van Justitie dient een belangrijke mokerslag toe voor de zuivering van fiscaal onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal

Het Hof van Cassatie heeft in verschillende strafrechtelijke zaken (Antigoon-rechtspraak[1]) geoordeeld dat onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gezuiverd kan worden, behoudens als de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar komt.

Voorschrift volgens Hof van Cassatie

Bij de beoordeling van het recht op een eerlijk proces gaf het Hof van Cassatie aan dat de rechter, onder meer, rekening diende te houden met één of meer van volgende omstandigheden :

         i.            het zuiver formele karakter van de onregelmatigheid;

       ii.            de weerslag op het recht of de vrijheid die de overschreden norm beschermt;

      iii.            de omstandigheid dat de overheid die met de opsporing en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan (een onopzettelijke onregelmatigheid wordt niet zo zwaar aangerekend);

     iv.            de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt (bij ernstige misdrijven mag de rechter zich dus soepeler opstellen);

       v.            het feit dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van de inbreuk betreft (bv. bij een onregelmatige zoeking in een drugspand worden gesmokkelde rookwaren aangetroffen; de onregelmatigheid van de zoeking heeft dan geen gevolgen voor het onderzoek naar de ontdoken accijnzen).[1]

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Ook volgens het EHRM hoeft het gebruik van wat onrechtmatig is verworven, niet per se de grondslag van de bewijsvoering aan te tasten, zelfs niet als het gaat om een schending van het recht op privacy (bv. EHRM, 12 mei 2000, Khan t. VK).

Daar waar deze rechtspraak aanvankelijk slechts gold in strafzaken, oordeelde het Hof van Cassatie in het arrest van 10 maart 2008 dat de Antigoon-beoordeling van onrechtmatig verkregen bewijs eveneens kon doorgetrokken worden in socialezekerheidsgeschillen.

Het was dan ook maar een kwestie van tijd vooraleer het Hof van Cassatie geïnterpelleerd zou worden over de vraag of onrechtmatig bewijs verkregen in fiscale zaken eveneens “gezuiverd” kon worden.

Ons inziens kon de Antigoon-rechtspraak niet doorgetrokken worden naar fiscale geschillen. Zowel het EHRM als het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie hebben al herhaaldelijk gesteld dat louter fiscale geschillen betrekking hebben op politieke rechten en dus niet bepalend zijn voor rechten van burgerlijke aard in de zin van artikel 6 van het EVRM (o.m. EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini, TFR 2001, 1098; GwH 2 juni 2010, 66/2010, overweging B.2.3, BS 10 augustus 2010; Cass. 10 september 2010, www.cass.be; Cass. 3 januari 2003, TFR 2003, 449).

Achtergrond redenering

De achtergrond van die redenering is dat de relatie tussen de belastingplichtige en de overheid een publiek karakter heeft, vermits de bevoegdheid om belastingen te heffen nog steeds behoort tot de harde kern van de overheidsprerogatieven. Aangezien artikel 6 van het EVRM aldus geen toepassing kent in louter fiscale zaken, lijkt het juridisch onaanvaardbaar dat een fiscale rechter de Antigoon-doctrine in fiscale zaken zou gaan toepassen.

In dat opzicht werd verdedigd dat de rechter de rechtsgeldigheid van de fiscale bewijsvoering door de fiscus niet kon beoordelen vanuit het licht van artikel 6 van het EVRM, waardoor de Antigoon-doctrine niet kon doorwerken in fiscale zaken. De grondslag op fiscaal vlak is immers te vinden in de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betekent dat het lot van onrechtmatig bewijs in fiscale zaken veel strenger moet worden beoordeeld dan in straf- en burgerlijke zaken.

Het Hof van Cassatie zag dit evenwel anders en oordeelde met een arrest van 22 mei 2015 dat de Antigoon-toets eveneens kon toegepast worden in fiscale zaken. Het Hof van Cassatie stelde vast dat “de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete”.

De criteria die de jurisprudentie hierbij in ogenschouw dient te nemen zijn volgens het Hof van Cassatie  de volgende elementen:

i)                    Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.” De wijze waarop het Hof invulling geeft aan het eerlijke procesverloop is wel quasi identiek aan de strafrechtelijke Antigoon;

ii)                   De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt”.

Met andere woorden wordt net als van de strafrechter van de fiscale rechter verwacht dat deze een onderzoek doet naar de intrinsieke kwaliteit van de bewijsgaring (behoorlijk bestuur en eerlijk proces), de omstandigheden waarin de bewijsgaring gebeurde (kennelijk onzorgvuldig of zelfs opzettelijk normschendend), de proportionaliteit van de begane onrechtmatigheid ten opzichte van de tenlastelegging, en dat alles met voldoende oog voor het normdoel van het geschonden voorschrift.

Het Hof van Justitie oordeelt

In het arrest van 17 december 2015 C-419/14, (WebMindLicenses) stelt Het Hof van Justitie dat bewijzen die verkregen of gebruikt zijn met schending van de privacy of een ander grondrecht uit het EU-Handvest niet mogen dienen voor naheffing.

Het Hof oordeelt dat er sprake is van een onbruikbaarheid van het onrechtmatig verkregen bewijs in de volgende twee gevallen:

– Als de fiscus het door anderen wettig verkregen bewijs gebruikt met schending van de grondrechten (bv. schending recht van verdediging wegens onmogelijkheid om vóór de aanslag een standpunt in te nemen over die bewijzen; disproportioneel gebruik omdat de fiscus aan het bewijs kon geraken met minder ingrijpende maatregelen dan de strafrechtelijke instanties);

– Als er geen doeltreffende rechterlijke voorziening is (de rechter kan niet nagaan of er de grondrechten geschonden werden zowel bij de initiële bewijsgaring als bij het daaropvolgende gebruik van die bewijzen door de fiscus).

Daaruit volgt dat elke schending van een grondrecht volgens het Hof de ontoelaatbaarheid van het bewijs en de nietigheid van de daarop gesteunde heffing impliceert.

In dat opzicht kan gesteld worden dat de Antigoon-rechtspraak in fiscale zaken alleszins niet meer opgeworpen kan worden door de Fiscale administratie, indien het onrechtmatig verkregen bewijs afbreuk doet aan de grondrechten van de belastingplichtige. De fiscale Antigoon-rechtspraak van het Hof van Cassatie staat dan ook op wankele poten…


[1] De tekst volgt uit cassatierechtspraak in de periode 2003-2008, hoofdzakelijk n.a.v. onwettige huiszoekingen (Cass. 14 oktober 2003, RW 2003-04, afl. 31, 1235; Cass. 23 maart 2004, RABG2004.16, 1066; Cass. 16 november 2004, RABG 2005, 285; Cass. 2 maart 2005, RABG 2005.13, 1161; Cass. 12 oktober 2005, T. Strafr. 2006, 25; Cass. 31 oktober 2006, T. Strafr., 2007, 55; Cass. 4 december 2007, T. Strafr. 2008, 274; Cass. 23 september 2008, T. Strafr. 2009, 151; zie ook het overzicht van adv.-gen. De Swaef in zijn conclusie bij Cass. 29 juni 2010).

Share
Tags: , , ,