Everest Tax

Het Hof van Cassatie gaat over tot een inperking van de burgerlijke partijstelling door de fiscus

Er bestaat heel wat verwarring over de vraag of, en in welke gevallen de Belgische Staat zich burgerlijke partij kan stellen in de loop van een strafprocedure, met als doel de veroordeling te bekomen van de beklaagde tot het betalen van ontdoken belasting.

Het standpunt van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie bevestigt in een recent arrest van 17 december 2015 dat de Administratie, net zoals ieder benadeelde, het recht heeft om zich burgerlijk partij te stellen in het kader van een strafprocedure.

Een belangrijke nuance die het Hof van Cassatie evenwel maakt is dat dergelijke burgerlijke partijstelling door de fiscale administratie enkel ingesteld kan worden (i) voor schade welke de belastingadministratie geleden heeft én (ii) voor zover deze schade niet gecompenseerd kan worden aan de hand van de eigen belastingwetgeving.

Het standpunt van het Hof van Cassatie valt te begrijpen, aangezien de fiscale administratie zelf beschikt over een arsenaal aan handhavingsinstrumenten, teneinde de belastingen, boeten en interesten in geval van strafrechtelijke inbreuken te recupereren.

Reeds eerder oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 8 september 1999 dat de fiscale administratie zich in elk geval niet burgerlijke partij kan stellen voor schade die bestaat uit het verlies van het recht de belastingplichtige te belasten (wegens het verstrijken van de aanslagtermijnen) of voor de gevolgen van het verlies van dat recht op het vlak van de interesten, boeten en belastingverhogingen.

De vraag die gesteld kan worden is in welke gevallen en voor welke schade de Administratie zich dan wel burgerlijk partij kan stellen richten?

Inderdaad, de fiscale wetgeving voorziet immers in bijzondere aanslagtermijnen en specifieke controlebevoegdheden wanneer er sprake is van strafrechtelijke inbreuken. Eén enkel voorbeeld waarbij de jurisprudentie geoordeeld heeft dat de burgerlijke partijstelling ontvankelijk was betreft de schadevergoeding die gesteld werd voor de bezoldigen van de ambtenaar van de dienst invordering belast met het fiscaal strafdossier.

De doctrine gaat zelfs nog verder en stelt terecht dat de fiscus bij een burgerlijke partijstelling voor andere schade dan die waarvoor het fiscaal wetboek een herstelmogelijkheid biedt, geen enkel belang kan laten gelden.

Merk op dat de fiscus wellicht naar de toekomst toe meer gebruik zal maken van de hoofdelijke gehoudenheid. Deze bepaling laat toe dat de fiscale administratie personen die als mededaders of als medeplichtigen van fiscale misdrijven strafrechtelijk worden veroordeeld, hoofdelijk aansprakelijk stelt in betaling van de ontdoken belastingen of BTW.

In de rechtsleer wordt op unanieme wijze geoordeeld dat de ontdoken belasting geen interesten, geen belastingverhogingen, geen kosten of geen administratieve boeten behelzen.

Het voormeld arrest van het Hof van Cassatie is tevens van belang op vlak van deze hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Hof oordeelt immers dat de Administratie één van de veroordeelde daders of mededaders aansprakelijk kan stellen ook al heeft de strafrechter de ten laste gelegde feiten bewezen geacht, maar werd uiteindelijk een opschorting van veroordeling verleend.

Auteurs: Alexander Delafonteyne en Méhdi Zagheden

Share