Everest Tax

Wordt de digitalisering van het boekenonderzoek de ondergang van de dialoog met de fiscus?

Tot de onderzoeksbevoegdheden van de fiscus behoort onder meer het boekenonderzoek. De administratie kan zowel in het kader van de BTW als de inkomstenbelastingen een boekenonderzoek uitvoeren. De fiscus greep de coronacrisis en de erbij horende beperking aan om te pleiten voor een digitalisering van het boekenonderzoek.

De wet werd ondertussen in deze zin aangepast. In de fiscale praktijk wordt echter gevreesd voor misbruik. Tevens wordt gewezen op het belang van dialoog tussen de fiscus en de belastingplichtige.

 

Boekenonderzoek

De fiscus heeft op basis van de artikelen 315 – 315ter WIB92 en 61 WBTW het recht om de boekhouding van belastingplichtigen te controleren. Op elke belastingplichtige rust aldus een algemene voorleggingsplicht voor wat betreft boeken en bescheiden met een fiscale finaliteit.

De artikelen 315 WIB92 en 61 §1 WBTW voorzien in principe een controle van de boekhouding zonder verplaatsing. In hoofde van de belastingplichtige is met andere woorden sprake van een louter passieve medewerkingsverplichting. Van hem kan dan ook niet verwacht worden dat hij de boekhouding brengt naar de administratie.

Een aantal jaar geleden werd aan het passieve boekenonderzoek een retentierecht gekoppeld (artikelen 315ter WIB92 en 61 §2 WBTW). Sinds 10  januari 2014 heeft de fiscus het recht om de boeken en bescheiden voor verdere studie met het oog op het vestigen van een belastingaanslag mee te nemen. Dit kan enkel onder strikte voorwaarden en met toestemming van de belastingplichtige. Zo moet dit bijvoorbeeld noodzakelijk zijn, en dient een proces verbaal opgemaakt te worden.

 

digitalisering boekenonderzoek

 

Wetswijziging

De wet van 27 juni 2021 formuleert een aanvulling van artikel 315bis WIB en artikel 61 §1 WBTW. Deze wet voegt volgende alinea tussen de derde en de vierde paragraaf van het artikel in:

“Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge informatie te vragen of te verstrekken, geldt de verplichting tot voorlegging van boeken en documenten zoals bedoeld in artikel 315, paragraaf 1 – en voor de natuurlijke en rechtspersonen zoals bedoeld in paragraaf 1 – ook voor de terbeschikkingstelling van deze boeken en documenten via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën” [1]

Door deze wijziging kan de belastingplichtige verplicht worden om de boekhoudkundige stukken die hij bijhoudt, elektronisch over te maken aan de administratie.

Uit een letterlijke lezing van de wet blijkt niet duidelijk dat deze plicht beperkt is tot deze elektronisch boekhouding. Dit was niettemin de duidelijke bedoeling van het wetsontwerp.[2]

De boekhoudkundige stukken moeten opgeladen worden op een elektronisch platform.

De aanleiding voor deze wetswijziging was de coronacrisis en de hiermee gepaard gaande mobiliteitsbeperkingen. De administratie was vragende partij om,  zonder dat een plaatsbezoek vereist is, tot een onderzoek van de betrokken boeken en bescheiden over te gaan.

 

Consequenties in de fiscale praktijk

In tegenstelling tot het algemene retentierecht voorzien in de artikelen 315ter WIB en 61 §2 WBTW, is voor deze elektronische voorleggingsplicht geen noodzaak vereist. Dat staat in schril contrast met het boekenonderzoek in de huidige vorm. Hierbij heeft de fiscus slechts per uitzondering het recht heeft om de boekhouding mee te nemen. Het gevaar bestaat dan ook dat de administratie bij iedere controle automatisch om de elektronisch overlegging zal vragen.

Bijkomend belangrijk element bij dit alles is dat deze stukken niet eenvoudig, ‘visueel’ geverifieerd worden, maar dat de boekhouding elektronisch geanalyseerd wordt. Op die manier tracht de fiscus ‘inconsistenties’ in de boekingen op te sporen.

Het belangrijkste gevolg van de wijziging is dat de dialoog met de administratie verloren dreigt te gaan. Hoewel de wetswijziging voorziet dat de belastingplichtige het recht blijft hebben om ‘mondelinge informatie te vragen of te verstrekken’, licht het voor de hand dat met het verdwijnen van de controle ter plaatse, er ook minder kans is op een gesprek met de controle. Dit blijkt in de praktijk nochtans cruciaal te zijn om, waar nodig  context of duiding te bieden en aldus tot een billijke oplossing te komen.

Tot slot lijkt de vooropgestelde digitalisering een wel erg permanent oplossing voor wat – hopelijk – een gezondheidscrisis van tijdelijke aard zal zijn.

 

Conclusie

De digitalisering van het boekenonderzoek dient in het belang van de belastingplichtige grondig geëvalueerd te worden. Er wordt immers geraakt aan de cruciale mogelijkheid voor de belastingplichtige om rechtstreeks dialoog te voeren met de controleambtenaren.

Bovendien vormt het boekenonderzoek een onderzoekshandeling in hoofde van de fiscus. Dergelijke handelingen staan vaak lijnrecht tegenover een aantal fundamentele basisbeginselen (bv. recht op privacy). Hierdoor worden deze sterk gereglementeerd.

 

 

Alexander Delafonteyne – vennoot Everest-law & Floor D’Hondt

[1] Artikel 106 van de wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, BS 30 juni 2021.

[2] Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, Parl. St. Kamer 2020-2021, nr. 55K1993/001, pg. 51.

Share
Tags: ,