Everest Tax

De speculatiebelasting, een loterij?

Het Cassatiearrest van 21 mei 2021 – In een arrest van 21 mei 2021[1] heeft het Hof van Cassatie bij wijze van prejudiciële vraag het Grondwettelijk Hof verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van artikel 90, 1°, WIB 1992 met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet.

Waarover gaat deze discussie?

Artikel 90, 1°, WIB 1992 stelt de buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid verkregen winst of baten belastbaar, tenzij de winsten of baten voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.

Het principe is duidelijk: occasioneel (niet professioneel) behaalde winsten of baten zijn in beginsel in de personenbelasting belastbaar als divers inkomen aan een afzonderlijk tarief van 33% (artikel 171, lid 1, 1°, a) WIB 1992), desgevallend te verhogen met de gemeentelijke opcentiemen (artikelen 465 t.e.m. 470 WIB 1992).

Op dit principe bestaat een belangrijke uitzondering: winsten of baten zijn vrijgesteld van belasting indien zij voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.

Dezelfde regel vinden we ook terug in artikel 90,9° WIB 1992 wanneer het gaat over meerwaarden op aandelen: niet professioneel behaalde meerwaarden behaald door een natuurlijk persoon uit de verkoop van aandelen zijn in beginsel belastbaar in de personenbelasting, tenzij de meerwaarde voortkomt uit “normale verrichtingen van beheer van een privévermogen”.

De invulling van het concept “normaal beheer van een privé-vermogen” heeft aanleiding gegeven tot talrijke discussies in de rechtspraak en de rechtsleer, maar ook tot een massa rulings. De oorzaak hiervan is duidelijk het gebrek aan een duidelijke en afgelijnde definitie van dit begrip in de wetgeving.

De grens tussen wat normaal en abnormaal beheer is, is uitermate vaag en onduidelijk[2].

In deze bijdrage zal dieper worden ingegaan op de parlementaire voorbereiding die aanleiding heeft gegeven tot het artikel 90,1° WIB 1992 (i) en tevens op de controverse waartoe de toepassing van dit artikel aanleiding heeft gegeven (en nog steeds geeft) in de rechtspraak en bij de fiscus zelf; (ii) wordt het artikel 90,1° WIB 1992 tegen het licht gehouden van de fundamentele grondrechten en algemene rechtsbeginselen; (iii) en worden tot slot de lege ferenda een aantal voorstellen tot wetsverbetering bekeken (iv.).

 

speculatiebelasting

 

i. Hoe het allemaal begon: het wetsontwerp van 16 januari 1962

In het wetsontwerp d.d. 16 januari 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelasting, werd voorgesteld om een nieuwe afzonderlijke categorie van inkomsten belastbaar te stellen, zijnde: “winsten of baten, hoe ook genoemd, die voortvloeien uit enigerlei prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, zelfs occasioneel of toevallig, buiten de uitoefening van een een bij artikel 25 van dezelfde gecoördineerde wetten bedoelde beroepsactiviteit, met uitzondering van de normale verrichtingen van beheer van een privaat vermogen bestaande uit onroerende goederen, waarden in portefeuille en roerende voorwerpen.

Volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp[3] was de keuze van de wetgever om deze categorie van inkomsten belastbaar te stellen, geïnspireerd op billijkheidsredenen: “Deze verrichtingen kunnen bijzonder winstgevend zijn en het zou onbillijk zijn dat, in een systeem van een enige belasting, de netto-opbrengsten van zulke verrichtingen aan elke heffing zou ontkomen, des te min daar sommige van deze verrichtingen weinig belangstelling verdienen, vooral dan op het gebied van de speculatie.

Het begrip “beheer van een privé-vermogen” werd als volgt omschreven in het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Senaat (Stuk 366, Zitting 1961-1962, blz. 147).

Feitelijk wijkt het beheer van een vermogen af van de uitoefening van een winstgevende betrekking of van een speculatie, zowel door de aard van de goederen – d.w.z. onroerende goederen, waarden in portefeuille, roerende voorwerpen (allemaal goederen die normalerwijze een privé- vermogen uitmaken) – als door de aard van de daden die met betrekking tot die goederen verricht worden : daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijks beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, d.i. van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking of door eigen sparen, of nog als wederbelegging van vervreemde goederen“.

Het is duidelijk dat de wetgever bij de invoering van dit artikel destijds voornamelijk de speculatieve verrichtingen op het oog had. Dat neemt niet weg dat volgens het Hof van Cassatie niet enkel winsten of baten uit speculatieve verrichtingen door artikel 90,1° WIB 1992 worden geviseerd, doch ook winsten of baten die zonder speculatie worden gerealiseerd, maar buiten het “normaal” beheer van het privé-vermogen.

ii. Controverse bij de toepassing van het artikel 90,1° WIB 1992

a. de toepassing van artikel 90,1 ° WIB 1992 door de Belgische Hoven en rechtbanken

Voortbouwend op de voormelde afbakening in de parlementaire voorbereiding bij de wettekst, heeft de rechtspraak het normaal beheer van het privévermogen omschreven als een handeling die een goede huisvader gewoonlijk stelt met het oog op de aangroei of het behoud van zijn vermogen (Antwerpen 17 februari 2015, nr. 2013/AR/2757, FJF 2015, 186).

De volgende elementen kunnen volgens de criteria ontwikkeld door de rechtspraak worden beschouwd als een abnormaal beheer van het privévermogen (speculatie) en aanleiding geven tot een belastbaarheid van de meerwaarde gerealiseerd op de aandelen:

  • Wanverhouding tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs;
  • korte termijn tussen de oprichting van de vennootschap en de verkoop van de aandelen;
  • Financiering met geleend kapitaal in plaats van met eigen middelen;
  • Risico: de kans om een enorme winst te realiseren maar om eveneens een groot verlies te lijden.

 

Om het normaal of abnormaal karakter van het beheer te beoordelen, grijpen de fiscale rechtbanken terug naar het zgn. ‘goede huisvader’ criterium. Een normaal beheer zou dan het beheer zijn dat een normaal zorgvuldig en vooruitziend persoon, geplaatst in dezelfde externe omstandigheden[4] zou verrichten.

De rechter zal dus het concrete gedrag van de belastingplichtige trachten te spiegelen aan een soort ‘typegedrag’ als normatief criterium van een normaal zorgvuldig en vooruitziend belastingplichtige.

Eerder had sommige (lagere) rechtspraak reeds geoordeeld dat hoewel het begrip ‘normaal’ voor interpretatie vatbaar is, dit begrip door de rechtspraktijk voldoende was verscherpt zodat het intussen geen vaag begrip meer is. Het feit dat de rechter nog beschikt over een beoordelingsbevoegdheid in bepaalde omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, ontneemt aan de wet niet het voldoende nauwkeurige karakter om te voldoen aan het fiscaal legaliteitsbeginsel[5].

(soms) tegenstrijdige uitspraken in de rechtspraak – De toepassing van dit criterium in fiscale zaken heeft evenwel geleid tot verdeeldheid in de rechtspraak. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven dat een verrichting waarbij een meerwaarde werd gerealiseerd op aandelen in een apothekersvennootschap niet kon worden beschouwd als een verrichting van normaal beheer[6]. De rechter hechtte daarbij veel belang aan de gebruikte waarderingsmethode voor de aandelen. In een soortgelijke zaak oordeelde de rechtbank te Luik dan weer dat er van enig abnormaal beheer geen sprake was[7].

Zo ook oordeelde het hof van beroep van Antwerpen dat bedingen zoals niet-concurrentie en een sterkmakingbeding volgens hetwelk de verkoper van de aandelen zich sterk maakt om via een managementvennootschap diensten te verrichten voor de overnemer, ‘standaardclausules’ waren en derhalve niet duiden op een abnormaal beheer[8]. De rechtbank van eerste aanleg te Leuven oordeelde dan weer dat dergelijke bedingen net wel duiden op een abnormaal karakter, en wettigt op die basis de taxatie van de meerwaarde als divers inkomen[9].

Het is duidelijk dat de fiscale rechtbanken in sommige gevallen tegengestelde visies hebben op hetgeen als “normaal” moet worden beschouwd hetgeen de rechtszekerheid uiteraard niet ten goede komt.

b. de toepassing van artikel 90,1 ° WIB 1992 door de fiscale administratie

Ook tegenstrijdige standpunten bij de fiscus zelf – Ook binnen de administratie zelf kon men het blijkbaar niet eens geraken over de precieze invulling van dit open begrip ‘normaal beheer’. Zo beweerde de administratie eind 2003 dat de centralisatie van aandelen binnen een holdingvennootschap, zonder onderscheid te maken tussen een inbreng of een verkoop, zonder meer een abnormale verrichting van beheer van een privaat vermogen is. Deze stelling werd door de toenmalige minister van Financiën bevestigd[10]. Op 19 oktober 2004 antwoordde de toenmalige staatssecretaris voor de strijd tegen de fiscale fraude Jamar dan weer dat het oprichten van een eigen holding een normale verrichting kan zijn en dat ieder geval afzonderlijk moet worden beschouwd[11]. En hoewel ‘abnormaal’ beheer van een privé-vermogen vaak wordt vereenzelvigd met speculatie, kadert volgens de administratie de potentiële speculatieve handeling bij uitstek, de beursverrichting, binnen het normaal beheer van een privé-vermogen[12].

Een ruling dan maar? – Er bestaat de mogelijkheid om voorafgaand aan de verrichting zekerheid te krijgen over de fiscale gevolgen daarvan door het aanvragen van een voorafgaand akkoord in fiscale zaken (een zgn. ‘ruling’). Daarbij kan men aan de rulingcommissie vragen om een concrete feitelijke invulling te geven aan het relatief vaag begrip ‘normaal’ beheer van een privé-vermogen. Ware het niet dat de rulingcommissie zelf nogal schijnt te worstelen met dit begrip. Zo heeft zij een in het verleden vaak gewijzigd advies gepubliceerd over haar algemene aanpak van meerwaarden op aandelen. Bovendien hanteert zij soms criteria die vaak door de rechtspraak resoluut worden afgewezen. Zo is de meerwaarde één van de criteria die de rulingcommissie in overweging neemt bij het beoordelen van het al dan niet normaal karakter van de verrichting. Nochtans oordeelde de fiscale rechter te Leuven, in een zaak waar een minderheidsaandeelhouder zijn participatie in een Luxemburgse vennootschap voor 12 miljard BEF had verkocht, dat het streven naar een betere prijs net een “uiting is van verstandig beheer”[13]. Ook de Luikse fiscale rechtbank stelde dat de verkoop van aandelen met een meerwaarde van 5.200 % op enkele jaren tijd niet speculatief was omdat het speculatieve inzicht bij de verwerving van de aandelen ontbrak[14]. Ook houdt de rulingcommissie rekening met de verrichtingen in hun geheel, al dan niet gebruik makend van vennootschappen die worden gecontroleerd door de aanvrager (zgn. ‘interne meerwaarden’) en al dan niet gebruik makend van specialisten. Nochtans is de rechtspraak doorgaans van oordeel dat het beroep doen op specialisten net een daad is van goed huisvaderschap. Zo merkt het hof van beroep te Brussel expliciet op dat “een goed huisvader zich in zijn beheer van zijn privaat patrimonium mag laten bijstaan door een professionele raadgever-accountant.”[15]

iii. artikel 90,1° WIB 1992 in het licht van de fundamentele grondrechten en de algemene rechtsbeginselen

Gevolg: grote rechtsonzekerheid – Het hoeft niemand te verbazen dat al deze tegenstrijdige standpunten en beslissingen hebben geleid (en nog steeds leiden) tot grote rechtsonzekerheid voor de belastingplichtige. Hoewel er m.b.t. zgn. interne meerwaarde-constructies sinds 1 januari 2017 duidelijk is gecreëerd met de wijziging van artikel 184, lid 3 WIB 1992[16] dat de definitie ‘fiscaal gestort kapitaal’ heeft aangepast, blijven een heel deel verrichtingen nog steeds onderworpen aan het open en vage begrip ‘normaal’ beheer van een privé-vermogen.

Het begrip ‘goede huisvader’ is alomtegenwoordig in het Belgische burgerlijk recht, dat doorwerkt in het fiscaal recht voor zover dit laatste er zijn eigen beginselen of noodwendigheden niet van afwijkt[17] en stamt uit het Romeins recht (Latijn: bonus pater familias). Wanneer een begrip door de fiscale wet niet wordt omschreven (zoals het goede huisvader – begrip), heeft het de gemeenrechtelijke betekenis, en bij gebreke van omschrijving in het gemeen recht, heeft het de gebruikelijke betekenis[18].

Het is tevens een evolutief begrip: de goede huisvader in de 19e eeuw handelde niet op dezelfde wijze als de goede huisvader in de 21e eeuw.

Net omdat het goede huisvader – begrip een evolutieve (dynamische) interpretatie kent, wordt de toepassing van de belastingwet om uit te maken of een verrichting al dan niet belastbaar is, onvoorspelbaar, zo was de redenering van de eisers in cassatie die aanleiding hebben gegeven tot het hoger gemelde arrest van 21 mei 2021.

En laat nu net de voorspelbaarheid van de fiscale wet, niet enkel praktisch en nuttig te zijn voor de belastingplichtige zelf en zijn/haar adviseurs, doch tevens een grondrecht te zijn.

Fiscaal legaliteitsbeginsel – Zo kan op basis van artikel 170§1 van de Grondwet geen (rijks)belasting ten behoeve van de Staat worden ingevoerd dan door een wet, d.i. dus een wet in de formele zin, m.a.w. een wet goedgekeurd door het parlement[19]. Dat houdt tevens in dat alles wat essentieel is voor de heffing van de belasting (zoals de belastingplicht, belastbaar feit, grondslag, tarief, vrijstellingen) door de (formele) wet moet worden geregeld. Alleen minder belangrijke aangelegenheden mogen door een uitvoeringsbesluit (zoals een KB) worden geregeld[20][21]. De fundamentele regel daarbij is dat de overheid belastingen niet zomaar kan opleggen naar eigen goeddunken, maar dat daarvoor de politieke toestemming nodig is van degenen die de belasting betalen. Die toestemming wordt gegeven door de politieke vertegenwoordigers van de belastingbetalers. Deze grondregel werd voor het eerst ingeschreven in 1215 in de Magna Charta in Engeland: “No taxation without representation”.

Een fiscale schuld, maar ook een vermindering of een vrijstelling volgt dus uit de wet en niet uit een overeenkomst (bv. tussen de fiscus en de belastingplichtige), uit een administratieve beslissing (omzendbrieven, ruling[22], btw-beslissing,  edm…) of uit een gewijzigde interpretatie in de rechtspraak.

De fiscale wet is van strikte interpretatie – Uit dit fiscaal legaliteitsbeginsel vloeit tevens het beginsel voort dat de fiscale wet van strikte interpretatie is.[23] Een dergelijke strikte interpretatie is logisch wanneer men belastingheffing in wezen beschouwt als een aantasting van de privé-eigendom van het individu, hetgeen wordt gewaarborgd door het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Zo besliste het Hof van Cassatie dat de strikte interpretatie als beginsel geldt voor alle bepalingen die, zoals de fiscale wetten, de vrijheid van de personen en de zaken beperken[24]. Zo is elke uitbreiding bij analogie van de draagwijdte van de fiscale wet uit den boze[25]. Een vruchtgebruiker is geen eigenaar en indien de fiscale wet enkel de meerwaarde uit de verkoop van eigendom belastbaar stelt, doch niet uit de verkoop van vruchtgebruik, kan de laatste niet belast worden (ook al zijn er de facto en zelfs de iure veel gelijkenissen tussen het eigendomsrecht en het recht van vruchtgebruik). Zoniet voegt men iets (een belasting) toe aan de wet, hetgeen uitdrukkelijk door artikel 170 van de Grondwet verboden is.

In dubio contra fiscum – Ook vloeit uit het fiscaal legaliteitsbeginsel het beginsel in dubio contra fiscum voort. In geval van dubbelzinnigheid moet de wet in het nadeel van de fiscus (en dus in het voordeel van de belastingplichtige) worden uitgelegd [26]. De doctrine nuanceert dit beginsel wel enigszins. Het principe in dubio contra fiscum mag maar worden ingeroepen bij gebreke van andere gegevens of elementen van interpretatie[27]. Bovendien, gezien de rechtsgrond van dit principe te vinden is in artikel 170 van de Grondwet luidens hetwelk de wet de enige bron is van rijksbelastingen, zou, wanneer het gaat over een vrijstelling of vermindering, het principe veeleer in dubio pro fisco zijn, nu volgens artikel 172 van de Grondwet ook de wet de enige bron is van vrijstellingen en verminderingen.

Arrest EHRM d.d. 7 juli 2011, Serkov – Reeds in 2011 heeft het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) zich over de (on)voorspelbaarheid van de fiscale wet moeten uitspreken in het arrest Serkov[28], weliswaar in een BTW-context[29].

Serkov was een inwoner van Oekraïne die in zijn land goederen had ingevoerd en hierop btw moest betalen. Na deze betaald te hebben vorderde hij die terug, want hij vond dat hij was vrijgesteld van btw op grond van een bijzondere fiscale maatregel voor kleine ondernemingen. Het hoogste Oekraïense gerechtshof stelde hem in het ongelijk. Volgens het Hof was er enkel een vrijstelling van btw voor kleine ondernemingen die goederen uitvoeren, maar niet voor deze die invoeren. Hierop legde Serkov zijn zaak voor aan het EHRM. Op grond van artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM vorderde hij het recht op bescherming van zijn eigendom die volgens hem door de overheid geschonden was, aangezien deze in een eerder arrest wel de vrijstelling had verleend van btw voor invoer.

Het EHMR bevestigt dat een inmenging van de overheid in het ongestoord eigendomsrecht van de belastingplichtige (beschermd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM) enkel en alleen kan op basis van een wet en dat deze wet bovendien voldoende toegankelijk, duidelijk, consistent en voorzienbaar in de toepassing moet zijn. Het Hof voegt eraan toe dat, hoewel het recht evolutief kan worden geïnterpreteerd, zij dit geen rechtvaardigingsgrond vindt voor de verschillende interpretatie die het hoogste gerechtshof van Oekraïne aan de vrijstelling van btw gaf. Op het einde van haar redenering bevestigt het Hof tevens expliciet dat bij dubbelzinnigheid of bij verschillende interpretaties de fiscale wet in het voordeel van de belastingplichtige moet uitgelegd worden en aangezien de fiscale wet door het hoogste gerechtshof in het nadeel van de belastingplichtige werd uitgelegd, besluit het EHRM op basis van deze redenering dat het interne recht onvoldoende voorzienbaar was en dus artikel 1 van het eerste protocol schendt.

iv. De lege ferenda: voorstellen tot wetsverbetering

Dat de toepassing van de fiscale wet soms onvoorspelbaar is, was ook eminente fiscalisten zoals wijlen Albert Tiberghien niet ontgaan, toen deze zich liet ontvallen: “Voor mij is belasting lijk de dood: beide zijn zeker, maar beide zijn onzeker wat betreft de voorwaarden en modaliteiten.”[30]

Nochtans verlangt de wetgever van bijvoorbeeld de ondernemingen, waarin zijzelf op legistiek vlak tekortkomt. Zo stelt artikel VI.91/2, eerste lid van het Wetboek economisch recht dat indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn opgesteld, zij duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld.

Gezien het Grondwettelijk Hof door het Hof van Cassatie gevat werd middels een prejudiciële vraag en dus niet op basis van een vernietigingsberoep, zou de getoetste norm (artikel 90,1° WIB 1992), indien deze ongrondwettig zou worden bevonden, niet uit de rechtsorde verdwijnen. Wel kunnen andere belastingplichtigen in een gelijkaardige situatie na een eventueel ongrondwettig verklaring, bijvoorbeeld een verzoek tot ambtshalve ontheffing indienen.

Gezien de controverse waartoe artikel 90,1° WIB 1992 aanleiding gaf en nog steeds geeft, is een wetgevend ingrijpen m.i. aangewezen, waarbij de al dan niet belastbaarheid van een handeling of feit niet meer afhankelijk wordt gesteld van een vaag en subjectief criterium als het al dan niet abnormaal karakter van het beheer, doch zich louter steunt op objectieve, rechtszekere en controleerbare gegevens.

In het advies van de Hoge Raad van Financiën d.d. 6 mei 2020[31] werd voorgesteld om meerwaarden op aandelen of andere financiële producten te belasten tegen een vlak tarief van 15%. Het voorstel heeft in elk geval het voordeel van de duidelijkheid en de voorzienbaarheid: de al dan niet belastbaarheid van de meerwaarde is niet meer afhankelijk van een vaag en open criterium als “normaal” beheer van het vermogen, doch er wordt een principiële (voorzienbare) belastbaarheid voorgesteld aan een eenduidig tarief. Deze wordt geheven zodra de meerwaarde zich realiseert. Het valt dan ook te verwachten dat dit element mee het voorwerp zal uitmaken van de brede hervorming van de inkomstenbelasting waartoe de huidige regering zich in het regeerakkoord verbonden heeft.

 

 

Jonas HELAUT

Jonas.Helaut@everest-law.eu

Augustus 2021

 

 

[1] Cass. 21 mei 2021, nr F.20.0031.N

[2] G. DE NEEF, C. KEMPENEERS, F. KRANSFELD, Overdracht van ondernemingen – Fiscale en vermogensrechtelijke aspecten, Larcier 2015, 17

[3] stuk 264/1, zitting 1961-62, p. 77

[4] H. BOCKEN en I. BOONE, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht, Brugge, die Keure, 2011, 100, nr. 143

[5] Rb. Hasselt 24 oktober 2013, FJF No 2015/75

[6] Rb. Leuven 4 oktober 2002, TFR 2003, afl. 249, 902.

[7] Rb. Luik 19 december 2002, TFR 2003, afl. 249, 903

[8] Antwerpen 29 oktober 2013, Fiscoloog 2014, afl. 1374

[9] Rb. Leuven 4 mei 2012, FJF 2014/11

[10] C. VAN BIERVLIET, “Interne meerwaarden: minister bevestigt streng administratief standpunt”, Fisc. Act. 2004, afl. 18, 4-6

[11] Mond. Vr. nr. 3631 PINXTEN 19 oktober 2004, Criv 51 COM 358,5

[12] Com. IB, nr 90/8, 4°

[13] Rb. Leuven 4 mei 2012, Fiscoloog 2012, afl. 1303, 12

[14] Rb. Luik 1 april 2003, Fiscoloog afl. 898, 10

[15] Brussel 3 maart 2010, Fiscoloog 2011, afl. 1256, 11

[16] artikel 97 van de programmawet 25 december 2016, BS 25 december 2016

[17] Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218; Cass. 23 november 1989, Arr. Cass. 1989-1990, 414

[18] Cass. 14 januari 1935, Pas. 1935, I, 105

[19] Koninklijke Besluiten, ministeriële besluiten, edm…, zijnde wetgevende akten uitgaande van de uitvoerende macht, zijn dus uitgesloten

[20] A. Alen en B. SEUTIN, « De staatsrechtelijke verdeling van de fiscale bevoegdheden”, in Actuele problemen van fiscaal recht, XVe Postuniversitaire cyclus Willy Delva, 16 december 1988, p. 6-7

[21] In de praktijk werkt de wetgever vaak omwille van economische en maatschappelijke noodwendigheden met volmachtwetgeving en de bekrachtiging a posteriori van volmachtbesluiten

[22] Een ruling die strijdig is met de wet kan niet worden toegepast

[23] Cass. 14 januari 1935, Pas. 1935, I. 108; Cass. 17 maart 1943, Pas. 1943, I. 98 ; Cass. 10 november 1997, F.J.F. 1997, nr. 97/282

[24] Cass. 19 december 1948, Arr. Verbr. 1948, 620

[25] Cass. 13 april 1978, Arr. Cass. 1978, 930

[26] Cass. 24 oktober 1938, Arr. Verbr. 1938, 219

[27] S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, Biblo 2005, p. 22

[28] EHRM 7 juli 2011, Serkov, Fisc. Act. 2011, nr. 27, p. 1

[29] V. DAUGINET, Jaaroverzicht fiscale rechtspraak en rulingbeleid, Ehsal Fhs Seminaries december 2011

[30] A. TIBERGHIEN, Het leeven en de leeringhe van den eerweirdigen Frater Fiscalianus, Kluwer 1982, p. 25

[31] Advies HRF ‘verlaging van de lastendruk op arbeid en mogelijkheden voor de financiering ervan’.

Share
Tags: